Kitab al-Wasiyya (Het Boek van het Testament)
Page 1 of 1 • Share •
Kitab al-Wasiyya (Het Boek van het Testament)
Kitab al-Wasiyya
Het Boek van het Testament
Imam Abu Hanifa, Muhammad al-Nu`man ibn al-Thabit
[Alle lof is voor Allah, de Ondersteuner van [alle] werelden, en moge de zegeningen neerdalen op de leider van [alle] Boodschappers Muhammad, zijn familie en al zijn Metgezellen. Dit is het Boek van het Testament (kitāb al-wasiyya) geschreven door de Meest Vooraanstaande Imam (al-imām al-a`zam) Abū Hanīfa, moge Allah genade hebben met hem.
Toen de Imam van de Moslims getroffen werd door een ernstige ziekte, verzamelde hij om zich heen zijn metgezellen en zijn leerlingen, en wensten zij van hem een testament [gebaseerd] op het pad van de Sunnah. Dus gaf hij zijn bediende de opdracht om hem rechtop te laten zitten, en zijn bediende zat achter zijn rug en hij ondersteunde hem tegen zichzelf. Daarna zei hij, moge Allah genade met hem hebben:]
Weet allen, mijn metgezellen en mijn broeders, dat de geloofsbelijdenis van de Mensen van de Sunnah en de Meerderheid (Ahlul Sunnah wal Jamā`ah) gebaseerd is op twaalf kenmerken. Ieder van jullie, die standvastig blijft in deze karakteristieken zal geen vernieuwer noch een andersdenkende zijn. Het is dus jullie plicht [om standvastig] deze kenmerken aan te houden zodat jullie bijgevoegd zullen worden in de bemiddeling van onze Profeet Muhammad (vrede en zegeningen zij met hem) op de Dag der Opstanding.
[Hij (Imam Abū Hanīfa) zei:]
Geloof (īmān); is een belijdenis met de tong, aanvaarding door de ziel en kennisneming met het hart. Alleen een bekentenis houdt niet het Geloof in, omdat als dat het Geloof was, alle hypocrieten gelovigen zouden zijn. Ook kennisneming alleen houdt niet het Geloof in, omdat als dat het Geloof was, alle Mensen van het Boek (Ahlul Kitāb) gelovigen zouden zijn. Met betrekking tot de hypocrieten, zegt Allah de Verhevene: “Degenen aan wie wij de Schrift gegeven hebben, kennen het zoals zij hun zonen kennen” (6.20).
(1) Geloof neemt niet toe noch neemt het niet af omdat de daling ervan ondenkbaar is, behalve met de stijging van ongeloof, en de stijging ervan is ondenkbaar behalve met de daling van ongeloof. Hoe kan het relevant zijn dat een persoon in dezelfde staat van een gelovige en een ongelovige is? Een gelovige is een ware gelovige, en een ongelovige is een ware ongelovige. Er is geen [aspect van] twijfel in Geloof, net zo er [geen aspect] van twijfel is in ongeloof, vanwege het woord van Allah de Verhevene: “Zij zijn de ware gelovigen” (8:4), en [vanwege het woord van Allah:] “Zij zijn de ware ongelovigen” (4:151). De zondaren van de Ummah van Muhammad (vrede en zegeningen zij met hem) zijn allen ware gelovigen, en zij zijn geen ongelovigen.
(2) Handeling (`amal) is iets anders dan Geloof en Geloof is iets anders dan Handeling, volgens het bewijs dat vaak [de verplichting van] een handeling opgeheven wordt van een gelovige en het is niet mogelijk om te zeggen [dat] Geloof van hem is opgeheven. Dus Allah heft van de menstruerende vrouw (hā’íd) en de vrouw in kraambed (nafsā’) de verplichtingen van het gebed en het vasten op, en het is niet mogelijk dat er gezegd wordt [dat] Hij Geloof van hen heeft opgeheven, of [dat] Hij hen bevolen heeft met het verlaten van Geloof. De religieuze wet [shar`] zegt tegen haar: “Laat het vasten, en voer het [later] uit.” Maar het is niet mogelijk dat er gezegd wordt: “Laat het Geloof, en vervul het later.” Het is toegestaan dat er gezegd wordt: “Er is geen [verplichting van betaling] van de zakāt op de arme man”, maar het is onmogelijk dat er gezegd wordt: “Er is geen [verplichting van] Geloof op de arme man.” De voorbeschikking van het goede en het slechte komt alleen van Allah de Verhevene, omdat als iemand aanneemt dat de voorbeschikking van het goede en slechte van [iemand] anders dan Hij is, zal hij een ongelovige worden in Allah, en zal zijn monotheïsme (tawhīd) ongeldig worden als het monotheïsme [een geloofsbelijdenis] voor hem was.
(3) Wij bevestigen dat er drie handelingen zijn: [I] verplicht, [II] vrijwillig en [III] zondig. [I] Verplichte [daden] zijn volgens het bevel van Allah de Verhevene, Zijn wil, Zijn liefde, Zijn tevredenheid, Zijn vonnis, Zijn voorbeschikking, Zijn schepping, Zijn oordeel, Zijn kennis, Zijn hulp, Zijn schrijven in het Beschermde Tablet (lawh mahfūz). [II] Vrijwillige [daden] zijn niet volgens het bevel van Allah de Verhevene, maar [ze zijn] met Zijn wil, Zijn liefde, Zijn genoegen, Zijn voorbeschikking, Zijn oordeel, Zijn kennis, Zijn hulp, Zijn schepping en Zijn schrijven in het Beschermde Tablet. [III] Het zondige is niet in overeenstemming met het bevel van Allah de Verhevene, maar [zij zijn] met Zijn wil, niet met Zijn liefde maar met zijn besluit, niet met Zijn tevredenheid maar met zijn voorbeschikking, niet met Zijn hulp maar met Zijn verlating, en Zijn kennis en Zijn schrijven in het Beschermde Tablet.
(4) Wij bevestigen dat Allah de Verhevene zichzelf vestigde (istiwā’) over de Troon zonder een enkele noodzaak of zittendheid (istiqrār) van Hemzelf [ervan]. Hij is de Opzichter van de Troon en van (alles) iets anders dan de Troon zonder enige behoefte [ernaar van Hemzelf]. Als hij [ooit] in behoefte [ervan] was dan zou hij niet in staat zijn geweest om de wereld in bestaan te brengen of om het op te stellen, zoals de twee scheppingen [er niet toe in staat zijn]. Als hij [ooit] in behoefte was om te zitten (julūs) en zich neer te zetten (qarār) [over de Troon], waar was Allah dan voor de schepping van de Troon? Moge Allah verheven zijn boven datgene, in het Hoog en Groot zijn.
(5) Wij bevestigen dat de Koran de Spraak van Allah de Verhevene (Kalām Allah) is, ongeschapen, Zijn inspiratie, Zijn openbaring en Zijn kwaliteit. Het is Hij niet, en noch (is het iets anders) anders dan Hij, maar het is Zijn kwaliteit in werkelijkheid. Het is geschreven in schriften, gereciteerd door tongen, bewaard in borsten maar heeft toch niet [simpelweg] een [vergankelijke] staat in hen. Letters, papier, en het schrijven, zijn allen geschapen, omdat zij de handelingen van schepsels zijn. De Spraak van Allah de Verhevene is ongeschapen omdat schrift, letters, woorden en verzen allen een verwijzing van de Koran zijn als noodzakelijkheid voor de schepsels hiertoe. De spraak van Allah de Verhevene bestaat in Zijn wezen en de betekenis ervan is begrepen door deze dingen. Dus wie ook zegt dat de Spraak van Allah geschapen is, is een ongelovige in Allah de Allergrootste. Allah de Verhevene is aanbeden. Hij houdt niet op te zijn met wat Hij was. Zijn Spraak is gereciteerd, geschreven en bewaard zonder dat het gescheiden wordt van Hem.
(6) Wij bevestigen dat de meest voortreffelijke [persoon] van deze natie, na onze Profeet Muhammad (vrede en zegeningen zij met hem) Abū Bakr al-Siddīq is, daarna `Umar, daarna `Uthmān, daarna `Alī, moge Allah tevreden zijn met hen allen, vanwege het Woord van Allah de Verhevene: “De eersten zijn de eersten, [het zijn] zij [die] nabij zijn gebracht [bij Allah]” (56:10-11). Elk was voorafgaand (in het Kaliefaat), en is meer voortreffelijk [in status]. Elke vrome gelovige houdt van hen, en iedere verachtelijke hypocriet haat hen.
(7) Wij bevestigen dat de schepping, met [al] haar daden, haar belijdenissen en haar kennis geschapen is. Dus wanneer iemand [die de daad] verricht [zelf] geschapen is, dan is dat meer bij zijn handelingen die [ook] geschapen zijn.
(
Wij bevestigen dat Allah de Verhevene de schepping geschapen heeft en dat zij geen vermogen hadden omdat zij zwak en nederig zijn en Allah de Verhevene is hun Schepper, Ondersteuner, vanwege het Woord van Allah de Verhevene: “Allah is Degene Die jullie heeft geschapen en jullie daarop voorzag. Vervolgens doet Hij jullie sterven en daarna doet Hij jullie [weer] leven” (30:40). Het verkrijgen [van rijkdom] is toegestaan, en de aangroei ervan van niet toegestane bronnen is onwettig. Mensen zijn van drie soorten; [i.] de gelovige die oprecht is in zijn geloof, [ii.] de ongelovige die eigenwijs is in zijn ongeloof en [iii.] de hypocriet die in zijn hypocrisie ophemelt. Allah de Verhevene heeft [goede] handelingen voorgeschreven voor de gelovige, geloof voor de ongelovige en oprechtheid voor de hypocriet vanwege het Woord van Allah: “O Mensheid! Vrees jullie Heer” (4:1/22:1) wat betekent, “O gelovigen! Wees gehoorzaam”, “O ongelovigen! Geloof!”. En “O hypocrieten! Wees oprecht.”
(9) Wij bevestigen dat vermogen met handeling komt, niet voor de handeling en ook niet na de handeling. [Dit is] omdat als het voor de daad was, de schepsel onafhankelijk zou zijn van Allah de Verhevene op het moment van [het verrichten] van de daad, en dit is tegenstrijdig met de beaming van de [Goddelijke] tekst, vanwege het Woord van Allah de Verhevene: “En Allah is onafhankelijk [van behoeftes] en jullie [allemaal] zijn behoeftig” (47:38). Als het na de handeling was, zou dit onmogelijk zijn omdat dit vraagt voor het verkrijgen van een handeling zonder vermogen of kracht.
(10) Wij bevestigen dat het vegen over de khuff [waterdichte sokken] toegestaan is; voor de gevestigde, een dag en een nacht, en voor de reiziger, drie dagen [inclusief] de nachten. [Het is] omdat de [Profetische] overlevering (Hadīth) ons bereikt heeft op deze manier. Dus wie dan ook [dit] ontkent, wordt voor hem voor ongeloof gevreesd, omdat het dichtbij wijdverspreide, massale overlevering (al-khabar al-mutawāir) staat. Het verkorten [van het gebed] (qasr), en het verbreken van het vasten (iftār) gedurende de reis zijn uitzonderingen volgens de tekst van het Boek, vanwege het Woord van Allah de Verhevene: “En wanneer jullie reizen in het land, treft jullie geen blaam wanneer het gebed te verkorten” (4:101) en in [geval van] het verbreken van het vasten is het Woord van Allah de Verhevene: “En diegene van jullie die ziek is of op reis, dan [de voorgeschreven] dagen [om later in te halen]” (2:181)
(11) Wij bevestigen dat Allah de Verhevene de Pen beval met, “Schrijf!” De Pen zei dus, “Wat zal ik schijven, o Heer?” Allah de Verhevene zei, “Schrijf wat er gebeurt tot aan de Dag der Opstanding,” vanwege het Woord van Allah de Verhevene: “en alles wat zij doen is [geschreven] in de Boeken [van Daden], al het kleine en het grote [kwestie] is [daarin] vastgelegd.” (54:52-53)
(12) Wij bevestigen dat de bestraffing van het graf bestaat. Er is geen twijfel. De ondervraging door Munkar en Nakīr is een werkelijkheid, vanwege het [aan ons] bereiken van de [Profetische] traditie. Het Paradijs en de hellevuur zijn een realiteit, en beiden zijn geschapen, die nu bestaan, en zij zullen niet eindigen noch zullen de bewoners ervan vergaan, vanwege het Woord van Allah de Verhevene, met betrekking tot de gelovigen: “[Het paradijs is] gereedgemaakt voor de vromen” (3:133), en met betrekking tot de ongelovigen: “[De hel] is gereedgemaakt voor de ongelovigen” (3:131). Allah de Verhevene schiep hen beiden ter beloning en bestraffing. De Balans (mīzān) is een werkelijkheid., vanwege het Woord van Allah: “Wij zullen betrouwbare weegschalen opzetten op de Dag der Opstanding” (21:47). Het lezen van de Boeken [van Opnamen] is een realiteit, vanwege Zijn Woord: “Lees jullie boek. Deze dag is jouw eigen ziel voldoende als berekenaar tegen jou” (17:14).
(13) Wij bevestigen dat Allah de Almachtige deze zielen terug tot leven zal roepen na de dood, en Hij zal hen laten rijzen op een dag waarvan de duur vijftigduizend jaar zal zijn, ter vergelding,, beloning en het voorzien van rechten vanwege het Woord van Allah de Verhevene: “En Allah zal zeker degenen die er in de graven zijn [allen] opwekken” (22:7). De ontmoeting van Allah de Verhevene, voor de inwoners van het Paradijs is een werkelijkheid, [dat] geen modaliteit, geen antropomorfisme noch richting kent. De bemiddeling van onze Profeet Muhammad, moge Allah hem zegenen en vrede schenken, is voor diegene die een gelovige is van [de mensen van het] Paradijs, ook al was hij [een pleger] van Grote zonden. `A’isha, de moeder van de Gelovigen, is zuiver gehouden van overspel en vrij van datgene wat de Rawāfid zeggen [in het beschuldigen van haar]. De inwoners van het Paradijs zullen voor altijd blijven in het paradijs, en de inwoners van de Hellevuur zullen altijd in de Hellevuur blijven vanwege het Woord van Allah de Verhevene met betrekking tot de gelovigen: “Zij zijn de bewoners van het Paradijs, waarin zij altijd zullen blijven” (2:82). En met betrekking tot de ongelovigen: “Zij zijn de bewoners van de Hellevuur, waarin zij altijd zullen blijven” (2:81).
Het Boek van het Testament
Imam Abu Hanifa, Muhammad al-Nu`man ibn al-Thabit
[Alle lof is voor Allah, de Ondersteuner van [alle] werelden, en moge de zegeningen neerdalen op de leider van [alle] Boodschappers Muhammad, zijn familie en al zijn Metgezellen. Dit is het Boek van het Testament (kitāb al-wasiyya) geschreven door de Meest Vooraanstaande Imam (al-imām al-a`zam) Abū Hanīfa, moge Allah genade hebben met hem.
Toen de Imam van de Moslims getroffen werd door een ernstige ziekte, verzamelde hij om zich heen zijn metgezellen en zijn leerlingen, en wensten zij van hem een testament [gebaseerd] op het pad van de Sunnah. Dus gaf hij zijn bediende de opdracht om hem rechtop te laten zitten, en zijn bediende zat achter zijn rug en hij ondersteunde hem tegen zichzelf. Daarna zei hij, moge Allah genade met hem hebben:]
Weet allen, mijn metgezellen en mijn broeders, dat de geloofsbelijdenis van de Mensen van de Sunnah en de Meerderheid (Ahlul Sunnah wal Jamā`ah) gebaseerd is op twaalf kenmerken. Ieder van jullie, die standvastig blijft in deze karakteristieken zal geen vernieuwer noch een andersdenkende zijn. Het is dus jullie plicht [om standvastig] deze kenmerken aan te houden zodat jullie bijgevoegd zullen worden in de bemiddeling van onze Profeet Muhammad (vrede en zegeningen zij met hem) op de Dag der Opstanding.
[Hij (Imam Abū Hanīfa) zei:]
Geloof (īmān); is een belijdenis met de tong, aanvaarding door de ziel en kennisneming met het hart. Alleen een bekentenis houdt niet het Geloof in, omdat als dat het Geloof was, alle hypocrieten gelovigen zouden zijn. Ook kennisneming alleen houdt niet het Geloof in, omdat als dat het Geloof was, alle Mensen van het Boek (Ahlul Kitāb) gelovigen zouden zijn. Met betrekking tot de hypocrieten, zegt Allah de Verhevene: “Degenen aan wie wij de Schrift gegeven hebben, kennen het zoals zij hun zonen kennen” (6.20).
(1) Geloof neemt niet toe noch neemt het niet af omdat de daling ervan ondenkbaar is, behalve met de stijging van ongeloof, en de stijging ervan is ondenkbaar behalve met de daling van ongeloof. Hoe kan het relevant zijn dat een persoon in dezelfde staat van een gelovige en een ongelovige is? Een gelovige is een ware gelovige, en een ongelovige is een ware ongelovige. Er is geen [aspect van] twijfel in Geloof, net zo er [geen aspect] van twijfel is in ongeloof, vanwege het woord van Allah de Verhevene: “Zij zijn de ware gelovigen” (8:4), en [vanwege het woord van Allah:] “Zij zijn de ware ongelovigen” (4:151). De zondaren van de Ummah van Muhammad (vrede en zegeningen zij met hem) zijn allen ware gelovigen, en zij zijn geen ongelovigen.
(2) Handeling (`amal) is iets anders dan Geloof en Geloof is iets anders dan Handeling, volgens het bewijs dat vaak [de verplichting van] een handeling opgeheven wordt van een gelovige en het is niet mogelijk om te zeggen [dat] Geloof van hem is opgeheven. Dus Allah heft van de menstruerende vrouw (hā’íd) en de vrouw in kraambed (nafsā’) de verplichtingen van het gebed en het vasten op, en het is niet mogelijk dat er gezegd wordt [dat] Hij Geloof van hen heeft opgeheven, of [dat] Hij hen bevolen heeft met het verlaten van Geloof. De religieuze wet [shar`] zegt tegen haar: “Laat het vasten, en voer het [later] uit.” Maar het is niet mogelijk dat er gezegd wordt: “Laat het Geloof, en vervul het later.” Het is toegestaan dat er gezegd wordt: “Er is geen [verplichting van betaling] van de zakāt op de arme man”, maar het is onmogelijk dat er gezegd wordt: “Er is geen [verplichting van] Geloof op de arme man.” De voorbeschikking van het goede en het slechte komt alleen van Allah de Verhevene, omdat als iemand aanneemt dat de voorbeschikking van het goede en slechte van [iemand] anders dan Hij is, zal hij een ongelovige worden in Allah, en zal zijn monotheïsme (tawhīd) ongeldig worden als het monotheïsme [een geloofsbelijdenis] voor hem was.
(3) Wij bevestigen dat er drie handelingen zijn: [I] verplicht, [II] vrijwillig en [III] zondig. [I] Verplichte [daden] zijn volgens het bevel van Allah de Verhevene, Zijn wil, Zijn liefde, Zijn tevredenheid, Zijn vonnis, Zijn voorbeschikking, Zijn schepping, Zijn oordeel, Zijn kennis, Zijn hulp, Zijn schrijven in het Beschermde Tablet (lawh mahfūz). [II] Vrijwillige [daden] zijn niet volgens het bevel van Allah de Verhevene, maar [ze zijn] met Zijn wil, Zijn liefde, Zijn genoegen, Zijn voorbeschikking, Zijn oordeel, Zijn kennis, Zijn hulp, Zijn schepping en Zijn schrijven in het Beschermde Tablet. [III] Het zondige is niet in overeenstemming met het bevel van Allah de Verhevene, maar [zij zijn] met Zijn wil, niet met Zijn liefde maar met zijn besluit, niet met Zijn tevredenheid maar met zijn voorbeschikking, niet met Zijn hulp maar met Zijn verlating, en Zijn kennis en Zijn schrijven in het Beschermde Tablet.
(4) Wij bevestigen dat Allah de Verhevene zichzelf vestigde (istiwā’) over de Troon zonder een enkele noodzaak of zittendheid (istiqrār) van Hemzelf [ervan]. Hij is de Opzichter van de Troon en van (alles) iets anders dan de Troon zonder enige behoefte [ernaar van Hemzelf]. Als hij [ooit] in behoefte [ervan] was dan zou hij niet in staat zijn geweest om de wereld in bestaan te brengen of om het op te stellen, zoals de twee scheppingen [er niet toe in staat zijn]. Als hij [ooit] in behoefte was om te zitten (julūs) en zich neer te zetten (qarār) [over de Troon], waar was Allah dan voor de schepping van de Troon? Moge Allah verheven zijn boven datgene, in het Hoog en Groot zijn.
(5) Wij bevestigen dat de Koran de Spraak van Allah de Verhevene (Kalām Allah) is, ongeschapen, Zijn inspiratie, Zijn openbaring en Zijn kwaliteit. Het is Hij niet, en noch (is het iets anders) anders dan Hij, maar het is Zijn kwaliteit in werkelijkheid. Het is geschreven in schriften, gereciteerd door tongen, bewaard in borsten maar heeft toch niet [simpelweg] een [vergankelijke] staat in hen. Letters, papier, en het schrijven, zijn allen geschapen, omdat zij de handelingen van schepsels zijn. De Spraak van Allah de Verhevene is ongeschapen omdat schrift, letters, woorden en verzen allen een verwijzing van de Koran zijn als noodzakelijkheid voor de schepsels hiertoe. De spraak van Allah de Verhevene bestaat in Zijn wezen en de betekenis ervan is begrepen door deze dingen. Dus wie ook zegt dat de Spraak van Allah geschapen is, is een ongelovige in Allah de Allergrootste. Allah de Verhevene is aanbeden. Hij houdt niet op te zijn met wat Hij was. Zijn Spraak is gereciteerd, geschreven en bewaard zonder dat het gescheiden wordt van Hem.
(6) Wij bevestigen dat de meest voortreffelijke [persoon] van deze natie, na onze Profeet Muhammad (vrede en zegeningen zij met hem) Abū Bakr al-Siddīq is, daarna `Umar, daarna `Uthmān, daarna `Alī, moge Allah tevreden zijn met hen allen, vanwege het Woord van Allah de Verhevene: “De eersten zijn de eersten, [het zijn] zij [die] nabij zijn gebracht [bij Allah]” (56:10-11). Elk was voorafgaand (in het Kaliefaat), en is meer voortreffelijk [in status]. Elke vrome gelovige houdt van hen, en iedere verachtelijke hypocriet haat hen.
(7) Wij bevestigen dat de schepping, met [al] haar daden, haar belijdenissen en haar kennis geschapen is. Dus wanneer iemand [die de daad] verricht [zelf] geschapen is, dan is dat meer bij zijn handelingen die [ook] geschapen zijn.
(
(9) Wij bevestigen dat vermogen met handeling komt, niet voor de handeling en ook niet na de handeling. [Dit is] omdat als het voor de daad was, de schepsel onafhankelijk zou zijn van Allah de Verhevene op het moment van [het verrichten] van de daad, en dit is tegenstrijdig met de beaming van de [Goddelijke] tekst, vanwege het Woord van Allah de Verhevene: “En Allah is onafhankelijk [van behoeftes] en jullie [allemaal] zijn behoeftig” (47:38). Als het na de handeling was, zou dit onmogelijk zijn omdat dit vraagt voor het verkrijgen van een handeling zonder vermogen of kracht.
(10) Wij bevestigen dat het vegen over de khuff [waterdichte sokken] toegestaan is; voor de gevestigde, een dag en een nacht, en voor de reiziger, drie dagen [inclusief] de nachten. [Het is] omdat de [Profetische] overlevering (Hadīth) ons bereikt heeft op deze manier. Dus wie dan ook [dit] ontkent, wordt voor hem voor ongeloof gevreesd, omdat het dichtbij wijdverspreide, massale overlevering (al-khabar al-mutawāir) staat. Het verkorten [van het gebed] (qasr), en het verbreken van het vasten (iftār) gedurende de reis zijn uitzonderingen volgens de tekst van het Boek, vanwege het Woord van Allah de Verhevene: “En wanneer jullie reizen in het land, treft jullie geen blaam wanneer het gebed te verkorten” (4:101) en in [geval van] het verbreken van het vasten is het Woord van Allah de Verhevene: “En diegene van jullie die ziek is of op reis, dan [de voorgeschreven] dagen [om later in te halen]” (2:181)
(11) Wij bevestigen dat Allah de Verhevene de Pen beval met, “Schrijf!” De Pen zei dus, “Wat zal ik schijven, o Heer?” Allah de Verhevene zei, “Schrijf wat er gebeurt tot aan de Dag der Opstanding,” vanwege het Woord van Allah de Verhevene: “en alles wat zij doen is [geschreven] in de Boeken [van Daden], al het kleine en het grote [kwestie] is [daarin] vastgelegd.” (54:52-53)
(12) Wij bevestigen dat de bestraffing van het graf bestaat. Er is geen twijfel. De ondervraging door Munkar en Nakīr is een werkelijkheid, vanwege het [aan ons] bereiken van de [Profetische] traditie. Het Paradijs en de hellevuur zijn een realiteit, en beiden zijn geschapen, die nu bestaan, en zij zullen niet eindigen noch zullen de bewoners ervan vergaan, vanwege het Woord van Allah de Verhevene, met betrekking tot de gelovigen: “[Het paradijs is] gereedgemaakt voor de vromen” (3:133), en met betrekking tot de ongelovigen: “[De hel] is gereedgemaakt voor de ongelovigen” (3:131). Allah de Verhevene schiep hen beiden ter beloning en bestraffing. De Balans (mīzān) is een werkelijkheid., vanwege het Woord van Allah: “Wij zullen betrouwbare weegschalen opzetten op de Dag der Opstanding” (21:47). Het lezen van de Boeken [van Opnamen] is een realiteit, vanwege Zijn Woord: “Lees jullie boek. Deze dag is jouw eigen ziel voldoende als berekenaar tegen jou” (17:14).
(13) Wij bevestigen dat Allah de Almachtige deze zielen terug tot leven zal roepen na de dood, en Hij zal hen laten rijzen op een dag waarvan de duur vijftigduizend jaar zal zijn, ter vergelding,, beloning en het voorzien van rechten vanwege het Woord van Allah de Verhevene: “En Allah zal zeker degenen die er in de graven zijn [allen] opwekken” (22:7). De ontmoeting van Allah de Verhevene, voor de inwoners van het Paradijs is een werkelijkheid, [dat] geen modaliteit, geen antropomorfisme noch richting kent. De bemiddeling van onze Profeet Muhammad, moge Allah hem zegenen en vrede schenken, is voor diegene die een gelovige is van [de mensen van het] Paradijs, ook al was hij [een pleger] van Grote zonden. `A’isha, de moeder van de Gelovigen, is zuiver gehouden van overspel en vrij van datgene wat de Rawāfid zeggen [in het beschuldigen van haar]. De inwoners van het Paradijs zullen voor altijd blijven in het paradijs, en de inwoners van de Hellevuur zullen altijd in de Hellevuur blijven vanwege het Woord van Allah de Verhevene met betrekking tot de gelovigen: “Zij zijn de bewoners van het Paradijs, waarin zij altijd zullen blijven” (2:82). En met betrekking tot de ongelovigen: “Zij zijn de bewoners van de Hellevuur, waarin zij altijd zullen blijven” (2:81).
Similar topics» Pengajian Hadis (Kitab RiyadusSolihin)
» Harems in the Old Testament and God's silence on the subject
» "Priest Feast" tour - JUDAS PRIEST, MEGADETH e TESTAMENT
» Old Testament or New Testament
» Gene Hoglan on TESTAMENT
» Harems in the Old Testament and God's silence on the subject
» "Priest Feast" tour - JUDAS PRIEST, MEGADETH e TESTAMENT
» Old Testament or New Testament
» Gene Hoglan on TESTAMENT
Page 1 of 1
Permissions in this forum:
You cannot reply to topics in this forum
